Fictie

Wij zijn gelijk

Onze angst voor de VormingsCommissie is groter dan die voor de politie. Hoe lang eigenlijk al? Mogelijk al decennia. Bij geboorte begint het. De tellingen, de metingen, de normen. Te klein, meer eten, te groot, minder. Te luid, afstraffen, te zacht, afstraffen. Te vrolijk, temperen, te onvrolijk, medicijnen. Alles wat ’te’ is, wordt gematigd, wordt gemiddeld. Boeken staan vol met lijsten, Gausscurves, boven en ondernormen. Vooral gemiddeldes zijn de norm, dat is normaal, maar die norm is in de jaren omhoog getrokken. Alle positieve zaken worden benadrukt, hoe het moet en hoe het hoort. Gemiddeld mooi is dus eigenlijk mooi, gemiddeld sportief is dus sportief.

En misschien is het iets extreem beschreven hierboven, want er worden geen straffen gegeven. Die duidelijkheid is voor de politie, open, eerlijk, meteen weten waar we aan toe zijn. Het gaat subtieler, massaler. “Wij sporten elke dag een uur.” “Wij eten elke dag 3 ons fruit.” “Wij eten geen suikers.” ‘Wij’ is de norm en de ‘wij’s’ zijn samengevoegd in een VormingsCommissie. En de ‘wij’s’ weten via sociale druk hun aantal uniforme gelijken te vergroten. Een straf is erg, maar social outcast te zijn is een drama. Afwijken is schande. Als je te dik bent, kan je beter binnen blijven. Als je te lang bent, is het schande en word je voor je hoofd gestoten. Nee letterlijk, want de doorgangen worden ook nauwelijks hoger gemaakt dan wat nodig zou moeten zijn voor de ideale lengte. De uitspraak “als je moet bukken bij binnenkomst, mag je hoofd gebogen blijven” laat de schaamte zien die je hoort te hebben als je afwijkt.

Te slim? Outcast. Te dom? Outcast. Verkeerde grappen? Alles wat niet sociaal geaccepteerd is, wordt duidelijk door de VC: “Nou, wij…”, en iedereen conformeert. Tenslotte is iedereen gelijk. Nee serieus, iedereen is gelijk. In de marges wijken we af. We zijn even groot. Even dik of dun. Zelfde selectie haardracht, zelfde selectie kleding en zelfde soort grappen. Niemand lacht meer echt, want we kennen dit soort grappen nu wel.

En soms, ineens, komt er een foute grap. Onschuldig, schuldig. En we lachen, onschuldig, schuldig, maar nooit uiterlijk. Want we horen niet te lachen. Tenslotte was het niet grappig. En we genieten, onzichtbaar, van de verandering. De verademing, extra lucht, de onderbreking van eentonigheid. Alsof tussen een constante sinus een ruis ontstaat die de vorm verandert. Heel even leven, tussen alle dode ‘wij’s’. En dan, onder de sociale druk, veranderen wij ook terug naar hetzelfde.

“Wij vinden dat niet grappig.” En de grappenmaker wordt verguisd, afgemaakt, neergesabeld met stichtelijke woorden. En met één fout is hij outcast, weg uit de groep, weg uit ons geheel. En hoewel we dat eigenlijk jammer vinden, hoewel de kans op lucht verkleind wordt, hebben we geen keuze. We willen hetzelfde zijn, niet afwijken, niet opvallen. We zijn tenslotte allen gelijk.

You Might Also Like