En soms, heel soms, als hij in bed ligt, verspringt ineens zijn maag en golft de adrenaline door hem heen. Het zweet breekt uit. Een ongemakkelijk gevoel overheerst, maar op een andere zijde draaien helpt niet. En dan, vooral dan, terwijl de onrust de adem oppervlakkig maakt, schieten de gedachten door zijn hoofd.
Zou ze het weten? Zou ze zijn leugens hebben doorzien? Is zijn verhaal niet altijd sterk en geloofwaardig? Is het tenslotte niet waar wat hij elke keer vertelt? Het klinkt toch geloofwaardig?
Maar soms, heel soms, breken de werkelijke gedachten door de barrière van zijn eigen ontkennen en tikken hem wakker. En dan, even dan, weet hij zelf ook dat het niet waar is. En dan, vooral dan, vraagt hij zich af of zij het ook weet.
En daarom nu, ja vooral nu je dit leest weet je het; ze kent je leugen.
