Een transparant plastic opbergdoos van de HEMA ligt op z’n kant op de tafel. Daarvoor liggen lege kartonnen doosjes, oud en nieuw, gewatteerd en gestoffeerd, verspreid over de tafel. Het tafelkleed golft eronder in dunne en dikke plooien en verbergt een deel van de stenen wat op de tafel ligt. Groene cabochon vormen reflecteren puntsgewijs het licht, helder en duidelijk. Andere blauwe stenen hebben vele facetten. Vlakken lichten wit op, de glans nodigt uit tot vastpakken. De stenen zijn afkomstig van drie generaties edelsmeden. De smid aan de tafel houdt in zijn handen briljant geslepen transparante stenen, misschien wel de mooiste uit de erfenis. Naast het grote contrast van diepzwart naar fonkelend wit bevatten de stenen veel kleur. Ze rollen met de beweging van zijn open hand heen en weer, stralend, uitnodigend.
De smid neemt de stenen mee naar zijn werkplaats. Het oude gereedschap van zijn vader ligt er ook. Vele hamers en hamertjes met verschillende bolle koppen, roestig, vervuild. Reepjes zilver, restanten goud en standaard inkoopvormen van edelmetaal. Glanzend, dof, verbogen. Hij wist hoe boos zijn vader vroeger was als hij ruw met de spullen speelde. Zijn vader kon uren werken aan de kleinste details in sierraden, volledig opgaand in zijn werk. Sinds het overlijden van zijn vader was het materiaal van hem, dus kon hij zelf bepalen wat ermee te doen. Hij deed er eigenlijk weinig mee, tot vandaag.
Drie stenen met afgetopte bovenkant en puntige onderkant werden stevig met een platbektang in een van de standaard ringen met drie zettingen gedrukt. Hij merkte dat het niet paste. Eén zetting verboog voldoende om de grote glanzende steen te bevatten. Hij pakte wat zilverdraad en soldeer en met een stevige vlam zorgde hij dat hiernaast een tweede briljant volledig ingesloten werd. Een derde zetting was ook niet passend te krijgen, dus met fijn plaat vouwde hij een doosvormige houder. De steen verdween hierin en met een hamer gaf hij er nog een tik op. Die zou wel blijven zitten.
De borstel van de polijstmachine kreeg een stevige laag geel vet over de haren gestreken. De smid duwde de ring tegen de haren in. Eenzijdig sleep de zilveren band ongelijk rond. Zwart geworden vet hoopte op achter het zilverdraad, het zilveren doosje vervormde maar bleef goed gesloten. De blauwzwarte laag van de vlam over het zilver verdween en glans werd zichtbaar. De smid kijkt trots naar zijn steeds zichtbaar wordende werk. Dan hoort hij een snelle tik in de kast van de polijstschijf en een verdwijnend zacht gerol ergens in de werkplaats. Hij kijkt naar de ring, de eerste steen is uit de zetting verdwenen. De steen onder het draad is smerig van het vet en de briljant in het doosje is onzichtbaar.
Een beetje beteuterd legt hij de ring weg en kijkt op de klok. Hij heeft nog tijd en besluit weer aan het werk te gaan. Het smeedijzeren hek staat nog geklemd in de lasmal. De smid pakt zijn lasapparaat en ontsteekt de vlam.
