De zon schijnt op zijn grijze haar. Donkere lokken tussendoor breken het licht. Over het gezicht valt een halve schaduw. De ene kant van zijn gezicht lijkt ontspannen, de overschaduwde groeven geven iets vriendelijks. Zijn ogen zijn dicht, de wimpers glinsteren. Hij ademt zichtbaar groot in en uit. De andere kant van zijn gezicht is donker, de lijnen tekenen af, een frons lijkt zichtbaar.
De kleding heeft net zo veel lijnen als zijn gezicht. De onderkant van zijn broek krult om naar buiten. De schoenen zijn vergrijsd, de vorm is al afgevlakt, uitgelopen. Het groen glimmende grasveld waar ze op staan lijkt hierbij zelfs geordend. Zijn handen, gebruind, zijn vel is groter dan de vorm, steunen op de rand van het bankje. Het lijkt een onheilspellend genieten. Hij draait zijn gezicht volledig naar de zon.
Soms blijven voorbijgangers even staan. Het beeld klopt niet, de man is stil. Geen geroep, geen geschreeuw. Geen berichten van einde der tijden, geen wanhoop in de ogen. Geen doordringende ogen die je proberen te raken in je ziel, jouw angst proberen te oproepen. “Handel nu, grijp in, de wereld vergaat en alles van waarde verdwijnt”. De grijze man kon soms achter de mensen aan lopen als hij het gevoel had een platform te vinden. Maar de reacties waren alleen sneller lopen en elke keer een harder negeren.
Hij zit nu alleen nog stil op het bankje. De zon schijnt, de warmte overspoelt hem en bij elke uitademing ontspant hij iets. De tekeningen op zijn gezicht verzachten. De lijnen van angst, boosheid, zorgen zullen nooit meer verdwijnen, daarvoor is hij te oud. Daarvoor is het te laat. De meeste mensen zien zijn verandering. Ze beoordelen hem, complimenteren hem. Ze waarderen zijn positiviteit, zijn rust. Hij is een verbeterde versie van zichzelf.
Hij zwijgt dan harder, sluit zijn ogen en vangt ongezien weer de zon. Hij ademt de dauw in op het gras, de geur van bomen in bloei. Hij ademt zo zacht mogelijk uit om het zacht zoemen van de insecten niet te verstoren. Hij ziet ook met zijn ogen dicht steeds meer voorbijgangers rondom zijn bankje, de schaduwen vallen bij tijd en wijlen over zijn gezicht, schermen de zon af. Hij ademt in en uit.
Dagen gaan voorbij. Weken verstrijken. Zijn haar wordt lichter, hij ademt in en uit en zwijgt. Zijn hoofd richt zich nog steeds naar de zon. De voorbijgangers kijken niet meer naar de man, zijn waarschuwingen en paniekopmerkingen zijn langzaam vergeten. En in dezelfde zon lopen de voorbijgangers langs elkaar heen, botsen en struikelen al bijna over elkaar. Er wordt gescholden. Iedereen wil een beetje zon.
De grijze man beweegt wat op zijn bankje en schuifelt met zijn schoenen over het grijze doffe asfalt. Hij probeert tussen de mensenmassa nog een beetje zon te krijgen, maar voelt dat het echt te laat is. De muffe geur van beton is genaderd. Het ritselen van plastic om bouwmaterialen is slechts ruis in het geluid van ruzies. Voorbijgangers duwen elkaar om het laatste beetje zon. Ze roepen om hun verdwenen groen, ze roepen om hun zon, ze vragen om een handelen.
De grijze man staat moeizaam op. Hij kijkt naar de vele mensen in de laatste vierkante meters zon die elkaar duwen, trekken, uitschelden. Hij schuifelt weg en verdwijnt in de schaduw van de nieuwe stad.
