De lange man in uniform met een grote opgenaaide V kijkt naar beneden. De naar beneden gerichte frons op zijn gezicht kan betekenen dat hij óf het niet snapt of wel heel ver naar beneden moet kijken. Daar staat een klein meisje, omhoogkijkend naar hem. Ze giechelt iets, schuifelt, kijkt naar haar naar binnen gerichte lakschoentjes met kanten sokjes en dan weer omhoog. Haar paardenstaart springt mee, het haar is net lang genoeg om te bewegen. Een roze elastiek met kleine plastic vlindertjes trekt alle haren strak naar achteren, een paar losse lokken springen er tussen uit en vallen over haar voorhoofd. Ook zij heeft een kleine frons terwijl ze weer omhoog kijkt. Ze merkt dat de man niet luistert, wiebelt weer iets op haar benen en zucht ongeduldig.
“Het is heel gevaarlijk, u moet echt weg”, haar stem is zacht, hoog en ze giechelt weer nerveus.
De man kijkt naar beneden, fronst nog iets harder, beetje geïrriteerd. “Ga spelen!”. Hij heeft geen tijd voor haar, hij kijkt over haar heen en scant de omgeving. Het is rustig, veilig, geen vreemde bewegingen. Alleen het schuifelen onder zijn blik stoort hem. “Waar is je moeder?”, vraagt hij.
Het meisje draait even boos rond, de roze vlinders op haar jurkje lijken weg te vliegen van schrik, die in de haren lijken verstijfd. Vanuit haar draai komt ze tot stilstand in een andere pose. Twee voeten stevig op de grond, haar twee handen omklemmen een donker stuk metaal, gericht op de man. De frons op zijn gezicht schuift omhoog naar een verbazing. Het harde geluid, of was het wat anders , doet hem naar achter wankelen. Hij beweegt zijn hand naar zijn voorhoofd en voelt iets plakkerigs. Hij hoort haar in een vervagend geluid nog iets zeggen en dan giechelen. Zijn hersenen kunnen het niet meer snappen. De man ontspant zijn frons bij het neervallen.
