Het groene vlakke landschap lijkt gaten te hebben, alsof een tapijt door grote motten aangevreten is. Delen van de weide zijn meters gezakt. Een patroon van harde zandranden tekent zich af tegen het groene gras. De lucht wordt plaatselijk vertroebeld door een bruine waas van zand. In de verte loeit een noodalarm onbelemmerd door het landschap. De dynamische toe en afname van het geluid van sirenes gaat gepaard met verschijnende en verdwijnende gele ambulances.
Aan de rand van de weide staat een verslaggever met grote microfoon vragend naar een rimpelige grijzende man te kijken. De man staart naar het veld, terwijl hij onnadenkend met zijn vuil verklonterde handen zand en bloed van zijn werkkleding probeert te wrijven. ” Da hak nait dacht ja”. De verslaggever knikt begrijpend, hopend dat ze bij de nieuwsredactie het Gronings kunnen ondertitelen. De cameraman volgt de blikken van beide mannen naar het veld, waar roodwitte linten flapperend de randen van de gaten decoreren. Een zwart-wit met rood gevlekt kadaver ligt in de bak van de gele graafmachine die deels verzakt naast het gat staat. Daaromheen bewegen zich enkele, in zwart met oplichtende strepen geklede, mensen met meetapparaten.
De cameraman draait zich om. Op de weg zijn enkele dure auto’s gestopt. Er stappen pakken en stropdassen uit. Zij hebben ook camera’s bij zich. Als een gerepeteerde dans draaien de camera’s en rechtgetrokken stropdassen om elkaar heen, wijzend, begrijpend knikkend, sympathiek gebarend. De camera’s zakken, een gesprek volgt en de hele dans begint opnieuw met dezelfde gerepeteerde manier van wijzen, begrijpend knikken, maar nu onrustig gebaren. Er naderen mensen. De bewoners herkennen de pakken en stropdassen van de vele excuus-uitzendingen over de tientallen voorschokken, van het loze begrip zonder acties, en van het negeren van tientallen waarschuwingen van de aarde en experts. Een onverstaanbare golf van agressie komt in beweging en nadert met groter wordende snelheid de pakken en cameramensen. Deze vluchten in hun dure auto’s voor de tsunami van verontwaardiging en onmacht. Ze hoeven als ze terug zijn alleen nog maar te knippen in de opnames en er komt een mooi veilig item van begrip op een plek waar geen dodelijke mensslachtoffers zijn gevallen.
De boer wrijft dwangmatig door met zijn handen langs zijn kleren. Het vuil op zijn handen is al doorschijnend. De verslaggever tikt de cameraman aan. Dit is mooie tv, de maatschappij heeft zich goed te kijk gezet. Tijd om achter de sirenes aan te gaan. Een dode koe spreekt niet genoeg tot de verbeelding.
Terwijl zij richting de weg lopen, beweegt de boer zich naar de inzinking in het veld. Eén van de brandweermannen is in de graafmachine gestapt en rijdt deze in veiligheid. Hij stopt, stapt uit en loopt naar de rand van het gat. De boer versnelt zijn pas en tegen bij het roodwitte lint bij hem staan. Door de waas van stof zien ze één levende koe, grazend aan een grote plag. “Da hak nait dacht ja”, zegt de boer en stopt met wrijven.
