Fictie

Orde

Mijn oorlellen voelen kouder aan dan mijn handen. Ondanks de nostalgisch gebreide handschoenen kruipt de wind door de ruimte tussen de draden en verlaagt mijn temperatuur. Mijn adem creëert wolkjes en die weer verdwijnen bij de inademing.

Er hangen twee draadje los aan mijn handschoen. Ongeordend. Ik voel een onrust opkomen. Ik moet die draden wegwerken, vastknopen en innaaien. Ik vouw mijn hand in een vuist, zodat ze niet zichtbaar zijn en orde weer terug is. Niemand heeft het gezien.

Orde is aan de orde van de dag. De Regulatie leidt iedereen in goede banen. Sinds de invoering is er rust en eigen verantwoordelijkheid. We reizen in stramienen van kleuren, om chaos te voorkomen. Ik kijk op de tijd en zie dat ik weinig over heb. Ik ben te laat vertrokken. Ik zie niet veel groene identificaties meer. Ik ga sneller lopen. Rood heeft het overgenomen, hun tijdslot overlapt het mijne. Ik ken een paar roden van gezicht, maar nooit hebben we genoeg tijd om te praten. Blauwen zie ik nooit, die gaan van huis als wij op ons werk moeten zijn.

Ik word belemmerd door een oversteekplaats. Het is druk. Groene voertuigen van alle kleuren lijken door het einde van hun tijdslot harder te rijden. Het zal vast door de Regulatie gemeten zijn. Als het echt zo is, dan zullen ze wel ingrijpen. Veiligheid voor alles, vooral voor je medemens en verantwoordelijk voor jezelf. Dat maakt alles duidelijk en geordend.

Ik word onrustiger. Wanneer mag ik oversteken? Ik reken terug en bedenk dat ik een minuut te kort kom om op mijn werk te komen. Ik zal mijn identificatie moeten bedekken. Ik heb mijn rode armband meegenomen als camouflage.

De oversteek is bezig en ik loop in de snelle loop langs de langzamen, meestal roden. Nog één oversteek. Ik loop nog sneller, rennen is chaos. Ik zie het draadje weer tussen mijn vuist naar buiten steken. Ik verstevig mijn grip.

De volgende oversteekplaats nadert alsof mijn voeten niet bewegen. Ik herken een groene aan de overkant. Hij komt te laat, hij kiest blijkbaar voor het risico van straf. Ik ben niet de enige die te laat komt. Vreemde rust.

Terwijl ik nader, kijkt hij om zich heen met paniek in zijn ogen. Hij kijkt nogmaals naar het stopteken en neemt een paar stappen op de oversteekplaats. Niet goed gekeken. Een auto schampt hem en tikt hem met een gil naar de zijkant van de weg. De auto rijdt door. Roden kijken verschrikt naar deze late groene die in een rare houding kermend tegen de zijkant ligt. Het geluid geeft kippevel. Ik paniek volledig. Het loopteken komt en ik loop, nee ren bijna naar de overkant. Mijn tijd zit erop, ik moet op mijn werk zijn. Het oversteken gaat geordend, hoewel verstoord door wanhopige geluiden vanaf de zijkant. Hij hoopt nog op hulp, maar hij was verantwoordelijk.

Ik loop mijn werkgebouw binnen, achter me hoor ik nog een sirene. Ze komen hem straffen. Tenslotte moet er orde zijn.

You Might Also Like